Het filosofische concept

Categoriale analyse

De vraag naar de zin van het leven is de meest dringende van alle vragen. Het is de filosofische vraag die iedereen bezighoudt. Het antwoord dat we erop geven komt voort uit de overtuiging die we verwerven en nodig hebben als innerlijk kompas. (Max Lüscher)

Een uitgesproken interesse in psychodiagnostiek kenmerkte Max Lüscher al als 16-jarige schooljongen. Vanwege zijn studie fysionomie kreeg hij speciale toestemming om colleges te volgen aan de universiteit van Basel. Zijn wetenschappelijke pad leidde hem via de wetenschap van de expressie van Ludwig Klages naar de antropologie van Paul Häberlin, wiens lezingen hem als student filosofie en psychologie fascineerden. Daarnaast studeerde hij toegepaste psychologie en klinische psychiatrie bij John E. Staehelin, wat in die tijd ook mogelijk was voor een niet-arts. Naast Paul Häberlin hadden de filosofen Hermann Schmalenbach, Max Scheler en Hans Kunz een grote invloed op zijn wetenschappelijke ontwikkeling. Door hen raakte hij bekend met de fenomenologie.

Max Lüscher ging uitvoerig in op de filosofie van Häberlin, in wiens functionele ontologie hij de grondsteen van een functionele psychologie zag. Volgens Häberlin kan de filosofische antropologie de vraag naar het wezen van de mens alleen beantwoorden als ze gegrond is in de ontologie en niet in het empirisme. In dit opzicht neemt hij een tegenovergestelde positie in van zijn levenslange vriend en psychiater Ludwig Binswanger, de grondlegger van de Daseinsanalyse. Häberlin bekritiseert Binswangers ontwerp van een fenomenologische antropologie omdat hij "zijn" en "zelfbeeld" door elkaar haalt. Binswanger zette daarmee de stap naar een puur empirische psychologie die zich uitput in de "interpretatie van fenomenale inhouden". Volgens Häberlin is dit gebaseerd op de aanname: "De mens is zoals hij aan zichzelf verschijnt" (zelfbeeld).

In plaats van te onderzoeken wat iedereen voelt, zou de antropologie eerst moeten proberen het wezen te begrijpen voor wie zulke gewaarwordingen mogelijk zijn. Dit is de enige manier om een antropomorfe infectie van de fenomenologie te vermijden. Max Lüscher pakt dit formidabele probleem aan. Hij beweerde niet een volledig nieuwe filosofisch-psychologische stelling te ontwikkelen. Hij zag zichzelf als een systematicus.

De categoriale psycho-logica

Uitgaande van Häberlin ontwikkelde hij een fenomenologische antropologie waarvan de basiscategorieën zijn afgeleid van de logische basisfunctie van de subject-object relatie. Daarmee voldoet hij aan de eis van zijn leermeester dat de antropologische psychologie niet empirisch gefundeerd mag zijn. Lüscher gaat nog een stap verder door ook de fenomenale inhouden af te leiden (categoriale psycho-logica). De kubus van Lüscher, het model van psychische functies, vertegenwoordigt de eenheid van functies in hun onderlinge afhankelijkheid. De relationaliteit van alle functies maakt het ook mogelijk om de zelfregulatie van de psyche weer te geven. In relatie tot het functionele model, de kubus van Lüscher, betekent dit: Alle ervarings- en gedragsmodi kunnen categorisch ontwikkeld worden met behulp van de Lüscher kubus.

Literature: 

  • Max Lüscher (1949), Die Farbe als psychologisches Untersuchungsmittel. Dissertation. Universität Basel;  
  • ders.: 1955, Psychologie und Psychotherapie als Kultur. Auszug aus der Habilitationsschrift, In: Willy Canziani (Hg.): Psychologia-Jahrbuch 1955. Zürich: Rascher-Verlag, S. 172-214.